Het woord is een samentrekking van het Franse troubleur (iemand die de rust verstoort, opschudding veroorzaakt) en de nuchtere, rechte lijnen van de polder. Waar een gewone relschopper trapt om af te breken, doet een poldertroebeldoer het tegenovergestelde.
- Hij schudt de boel wakker: In een polder waar alles strak, aangeharkt en volgens de regels van de tekentafel is ingericht, durft de troebeloer tegen heilige huisjes te schoppen als de menselijke maat zoekraakt.
- Hij gooit de knuppel in het hoenderhok voor de goede zaak: Als ambtenaren te lang vergaderen of instanties naar elkaar blijven wijzen terwijl er mensen in de knel zitten, jaagt hij ze op de kast om beweging af te dwingen.
- Pionieren met een hart: Het is iemand die met de laarzen in de modder staat, deuren intrapt die op slot zitten, en net zo lang blijft zeuren, duwen en trekken tot er daadwerkelijk een oplossing ligt—of dat nu een seniorenbeleid is of een busje dat gaat rijden.
Kortom: het is die eigenwijze luis in de pels die het systeem broodnodig heeft om niet in slaap te sukkelen. Een lastpost voor wie stil wil blijven zitten, maar een zegen voor wie vastzit.
We hebben de wereld van de poldertoebeldoer wat vormgegeven in diverse beelden. Ze spreken voor zichzelf.
We zien hoop, begeestering, verbijstering bij de gemeente, woorden rond de keukentafel, het lege resultaat en humor met hoop.