Zorgvisie 16 maart 2026
Martin van Rijn en Edwin Velzel: ‘IZA en AZWA zijn geen echte zorgtransities’
De beweging naar het sociaal domein, preventie en zorgzame buurten moet veel radicaler dan nu. Edwin Velzel en Martin van Rijn willen regelruimte en een miljard euro voor burgerinitiatieven. “We hebben de indruk dat de VWS-top hier sympathiek tegenover staat.”
Het Integraal Zorgakkoord (IZA) en het Aanvullend Zorg- en Welzijnsakkoord (AZWA) zijn geen echte transities, stelt Edwin Velzel, bestuursvoorzitter bij PGGM, coöperatieve pensioenuitvoeringsorganisatie met als grootste klant Pensioenfonds Zorg en Welzijn. “Ze zijn een stap in de goede richting, maar het blijft optimaliseren van het huidige systeem.”
“Dat komt doordat in de zorgakkoorden ook het behoud van de gevestigde belangen van de koepels gebakken zit”, legt Velzel uit. “Echte transities kun je ook niet alleen vragen van koepels. Ze vertegenwoordigen altijd het gemiddelde van de achterban, anders worden ze naar huis gestuurd. Als een koepelbestuurder iets voorstelt wat ten koste gaat van hun eigen omzet, dan komt de achterban in verzet. Voor echte transities heb je koplopers nodig die bereid zijn om boven het maaiveld uit te stijgen. En desnoods te krimpen.”
Een opmerkelijke boodschap van een van de IZA- architecten. Als het ‘oliemannetje’ van oud-VWS-minister Ernst Kuipers leidde Velzel, oud-topman van zorgverzekeraar VGZ, de IZA-onderhandelingen met achttien koepels. Samen met oud-minister Martin van Rijn schreef hij ‘De Agenda voor Welzijn, Gezondheid & Zorg 2025-2030‘. Velzel en Van Rijn, als topambtenaar nauw betrokken bij de invoering van het zorgstelsel in 2006, schrijven dat de benodigde zorgtransitie niet van de grond komt in het huidige stelsel. De beweging naar het sociaal domein, preventie en zorgzame buurten moet veel radicaler dan nu, met een centrale rol voor burgerinitiatieven.
De beweging naar preventie is duidelijk, maar hoe maakt u die concreet in uw regio of organisatie? Tijdens de Dag van de Preventie op 26 mei ontdekt u hoe koplopers dit wél doen, van burgerinitiatieven tot nieuwe vormen van samenwerking en financiering.
Integrated community care
Het manifest is in de zomer van 2025 geschreven voor het jaarlijkse Seneca Congres, georganiseerd door PGGM voor innovatieve bestuurders. Van Rijn is de voorzitter. Inmiddels is het manifest ruim honderd keer ondertekend, en dat aantal groeit nog. Het is een breed gezelschap van transitieprofessor Derk Lobach, Jan Smelik (van Austerlitz Zorgt) tot zorgbestuurders uit alle sectoren. Ze steunen de richting van ‘integrated community care’. In goed Nederlands ‘integrale gemeenschapszorg’, die formele zorg, informele zorg, preventie en sociale samenhang verbindt. Zodat maatschappelijke problemen, zoals eenzaamheid, stress en verlies van werk, veel minder op het bordje van de zorg komen.
Velzel: “Bijna de helft van de patiënten bij huisartsen heeft geen medische vraag, maar een maatschappelijk probleem. Het buitenland is hartstikke jaloers op onze huisartsen, want ze zijn er voor iedereen. Maar het is doorgeschoten, want ze worden ook een praatpaal voor eenzame mensen. Zo wordt de huisarts het afvoerputje voor eenzaamheidsvraagstukken. Die mensen hadden ook lid kunnen worden van de moestuinvereniging, de whiskyclub of een burgerinitiatief zoals Austerlitz Zorgt. Maatschappelijke vraagstukken moet je niet medicaliseren, maar samen oplossen in de samenleving.”
Waarom gaan het IZA en AZWA niet ver genoeg?
Velzel: “Het goede aan het IZA is de integrale aanpak van eerstelijnszorg met de vvt, ggz, ghz en ziekenhuizen. De stap van integrale zorg naar integrale gemeenschapszorg lijkt lineair, maar is het niet. Na mijn IZA-tijdperk was ik op werkbezoek in Glasgow. Die stad is de zieke man van Noordwest-Europa, met dakloosheid en erfelijke werkloosheid. De helft van de bevolking is er afgelopen decennia weggetrokken, dus alle kansrijke inwoners zijn weg. Maar er is nu wel een hele revival van community care. In de wijken zijn er allerlei activiteiten om mensen in bestaans- zekerheid met hun leefomgeving een stap verder te helpen.”
“Dat perspectief hebben we wel een beetje gemist bij het IZA”, vervolgt Velzel. “De zorg hebben we geoptimaliseerd, maar de maatschappelijke kant hebben we niet veel aandacht gegeven. Wel in woorden, maar niet in geld en ook niet in beweging. Met het AZWA is het systeem uitgebreid met het Sociaal Werk, gemeenten en GGD’en. Maar nog steeds zijn het professionals die wat doen voor burgers. In plaats van burgers die zelf wat met elkaar doen.”
Weten burgers dan wat ze nodig hebben?
Velzel: “Op honderden plekken weten burgers heel goed wat ze willen. Ze zorgen goed voor elkaar en weten waarvoor ze nog een wijkverpleegkundige nodig hebben. Ze zeggen: ‘Ik ga alles doen voor mijn buren, maar niet de billen wassen.’ Die burgers organiseren allerlei activiteiten in hun omgeving, waardoor mensen participeren. Daaromheen hebben ze een kring nodig van professionele zorg. Dat is de ‘mind shift’ die wij voorstellen: ga naar integrale gemeenschapszorg, waarin de professionele zorg de community care ondersteunt.”
Jullie manifest leest als een stelselwijziging.
Van Rijn: “Op korte termijn is er vooral meer regelruimte nodig. Zorgbestuurders willen het vaak wel anders doen, mits ze die ruimte krijgen. Dus maak een deel van het budget van de Zorgverzekeringswet en de Wet langdurige zorg regelvrij. Stel dat elke sector 1 procent inlevert, dan praat je over meer dan 1 miljard euro. Maak een goed ontwerp voor samenwerking tussen gemeenten, zorgkantoren en zorgverzekeraars. Het is eerder aan wat praktische knopjes draaien dan een fundamentele stelselwijziging.”
Velzel: “Op de langere termijn willen we wel naar één wet voor zorg en welzijn. Maar op de korte termijn zou je in elke sector 1 tot 5 procent van het budget regelvrij moeten maken. Daar hoeven dan dus geen productieparameters, zoals dbc’s of zzp’s tegenover te staan. Die middelen zou je regionaal in een gemeenschappelijke pot moeten stoppen. Met een regiobudget kunnen de initiatieven in de wijken en buurten aan de slag gaan. Daarvoor is geen majeure wetswijziging nodig.”
Waarom verwachten jullie veel van burgerinitiatieven?
Velzel: “Er zijn honderden burgerinitiatieven die voortdurend met de handrem erop werken vanwege onzekere financiering. Ze drijven op goodwill van ambtenaren en hopen dat ze met overbruggingsfinanciering en gemeentelijke subsidie weer een jaar verder mogen. De beste bewonersinitiatieven hebben vaak één betaalde kracht. Dat is een wijkregisseur of dorpsondersteuner met wel honderd vrijwilligers. Ze hebben een ruimte nodig, zoals een dorpshuis of een wijkcentrum, en wat geld voor activiteiten. Geef die nou een onderhandelingspositie tegenover gemeentes en zorgaanbieders. Als ze voldoen aan bepaalde criteria, hebben ze gewoon recht op financiering. Die kosten schatten wij op 1 miljard euro. Dat is nog geen procent van de totale zorgbegroting. Aanzienlijk minder dan het nieuwe kabinet voorstelt.”
Stuiten de burgerinitiatieven ook op gevestigde belangen van zorgaanbieders?
Velzel: “De rode draad van burgerinitiatieven is dat ze moeten knokken met instanties en zorg- en welzijnsorganisaties. In Amstelveen heb je stadsdorp Elsrijk, waar veel kunstenaars wonen. Zij hebben een levendig sociaal leven met allerlei verenigingen voor toneel en nog veel meer. Daardoor hebben ze eigenlijk helemaal geen sociaal werk nodig in hun wijk. De gemeente Amstelveen erkent dat en hevelt jaarlijks 240.000 euro over van het welzijnsorganisatiebudget. Die vinden dat niet leuk en zo ontstaat er concurrentie tussen de professionele welzijnsverleners en burgers. Op veel plekken zie je helaas dat gemeentes de bewonersinitiatieven niet steunen en dat die wegkwijnen.”
Hoe zorg je ervoor dat burgerinitiatieven de wind mee krijgen?
Velzel: “Kom tot een definitie waaraan serieuze bewonersinitiatieven moeten voldoen. Als je voldoet aan vormvereisten, heb je gewoon recht op het financieren van één fte aan wijkondersteuning per 2.000 inwoners. Dat is eigenlijk een betaaltitel die, net als zorgverleners, recht geeft op geld. Dan zijn de burgerinitiatieven niet meer afhankelijk van de gunst van gemeentes of zorgkantoren. Die betaaltitel kun je het best in de Wlz maken, want daar vallen de meeste baten.”
Is jullie plan met regiobekostiging, brugfinanciering en vrij besteedbare ruimte niet te complex?
Van Rijn: “Als je het budget integreert in een gezamenlijke pot, probeer je eenvoud te realiseren. Dat gebeurt bijvoorbeeld in de wijk Ruwaard in Oss. De woningcorporatie, de zorginstelling en de gemeente bundelen hun budgetten en zetten de professionals bij elkaar om samen in de wijk aan de slag te gaan. Die kijken samen naar de problemen en hebben het recht om te beslissen wat daar moet gebeuren. Het wordt gewoon gehonoreerd. De integratie van budgetten maakt hun werk eenvoudiger.”
Velzel: “Maak één pot geld voor de wijk en houd de complexiteit weg bij de mensen die het daar moeten doen. Een zorg die ik wel heb: als er geld gaat stromen naar bewonersinitiatieven, krijgen zij ook te maken met de wereld van de KPI’s en verantwoording. Dat is de beste manier om vrijwilligers weg te jagen. Die financiering moet echt eenvoudig zijn. Als ze kunnen laten zien dat ze een groep bewoners vertegenwoordigen, dat een substantieel aantal vrijwilligers zich daarachter schaart en ze hebben dingen goed geregeld in de governance, moeten ze gewoon de ruimte en het vertrouwen krijgen. Want van de KPI’s in het IZA ben ik wel een beetje geschrokken. Dat er werkelijk IZA-projecten zijn met 600 KPI’s. Als je nou echt wil dat er niks uitkomt, moet je het zo doen.”
Maar u bent één van de architecten van het IZA.
Velzel: “Nergens in het IZA staat dat we met zoveel KPI’s moeten gaan werken. Dat is later in de uitwerking gekomen doordat systeempartijen, zoals de Nederlandse Zorgautoriteit en zorgverzekeraars, de rechtmatigheid van uitgaven zo hebben vertaald. Dat is natuurlijk wel een schrikbeeld, want dat draait alles de nek om.”
Hebben jullie steun van VWS?
Velzel: “Ik heb de indruk dat de VWS-top hier sympathiek tegenover staat. Een aantal zorgverzekeraars wil ook wel, maar sommige zien een regiobudget nog niet zitten. Je moet dit beginnen met de koplopers. Niet met de koepels, want die moeten alles gelijktrekken van hun achterban.”
Biedt het coalitieakkoord aanknopingspunten?
Velzel: “Het coalitieakkoord spreekt over een gemeenschapsbudget van 40 miljoen euro en 50 miljoen euro voor versterking van wijken. Dat heeft nog nooit in een begroting gestaan. Daar kun je een begin mee maken. Maar eigenlijk heb je een miljard euro nodig.”
Wat is jullie rol hierbij?
Velzel: “PGGM heeft een groot belang om te investeren in de vitaliteit van de zorgsector. Het ziekteverzuim onder deze deelnemers is een kwart hoger dan onder andere Nederlanders. We doen veel voor het Pensioenfonds Zorg & Welzijn, waarbij naast gepensioneerden zo’n beetje twee miljoen mensen zijn aangesloten die in de zorg werken. We zien dat de druk op de zorg en de krapte op de arbeidsmarkt leiden tot enorme druk. En één op de vijf mensen ouder dan 60 jaar is arbeidsongeschikt. Dat leidt weer tot minder pensioen, verschraling en uitstroom uit de sector.”
“Daarnaast geloof ik in de beweging van burgerinitiatieven. In mijn IZA-tijd heb ik gezien dat systeempartijen en de overheid deze beweging niet zien. Ik wil die groter maken in het beleid voor de toekomst van zorg en welzijn. Bijna alle wijken en buurten bieden aanknopingspunten, maar je ziet het pas je het doorhebt.”
Wat vraagt dit van zorgbestuurders?
Velzel: “Ziekenhuizen en vvt-instellingen hebben één gewetensvraag te beantwoorden: ‘Ben ik er voor de volksgezondheid van mijn werkgebied of voor het leveren van zorg?’ Als een regio een zak geld krijgt voor het verbeteren van volksgezondheid, hoe doe je dat dan als zorgaanbieders met de gemeenten en burgerinitiatieven samen? Zorgbestuurders moeten op zoek gaan naar aanknopingspunten in de leefwereld van burgers. Wat zijn hier nou de bronnen van actief burgerschap?”
Van Rijn: “Heel veel zorgbestuurders vinden dat we die kant op moeten. Zij zien elke dag het spanningsveld tussen efficiëntie en menselijke zorg.”
Maar binnen dit zorgstelsel blijven zorgaanbieders toch botsen op de prikkel om omzet te draaien?
Velzel: “In de strategiediscussie van het ziekenhuis waar ik in de raad van toezicht zat, heb ik de gewetensvraag gesteld over het bestaansrecht. De bestuurder was voor het bevorderen van gezondheid. Maar daar zijn geen betaaltitels voor. ‘Dus hoe verdienen we dan onze boterham?’, vroeg hij. Onze missie wringt met de bestuurlijke verantwoordelijkheid van de continuïteit van zorgorganisaties.”
Wat is er nodig om dat te doorbreken?
Velzel: “Dapperheid en het toch gewoon doen. Dan zul je zien dat het systeem uiteindelijk gaat kantelen.”
Bernhoven was dapper, maar de bestuurder moest weg nadat het ziekenhuis in de rode cijfers belandde.
Velzel: “Veel mensen kijken met leedvermaak naar Bernhoven en denken dat hun inzet op zinnige zorg is mislukt. Maar de beste stuurlui staan aan wal. Ik heb destijds bemiddeld tussen Bernhoven en zorgverzekeraars. Hun zinnige zorg-projecten zijn goed geslaagd. Maar als je productie krimpt, moet je wel je kosten afbouwen. Dat zijn ze vergeten.”
Willen jullie in de Staatscommissie die naar het stelsel gaat kijken?
Van Rijn: “We zijn bereid om alles te doen wat helpt om deze beweging verder te helpen, zoals een Staatscommissie of een goeie werkagenda voor de nieuwe minister. Deze beweging komt al van de grond. Daar moet je je niet te veel mee bemoeien, want dan slibt dat weer dicht. We moeten doen wat daar dienstbaar aan is.”